StellaMaravelias's Blog

april 22, 2013

“De schaamte voorbij” Gratis representatieve kleding voor een sollicitatiegesprek

Stella Maravelias: “Bij de Vereniging Dress for Success Nederland ben ik als landelijke  fondsenwerver werkzaam geweest. In onderstaand artikel bericht ik u graag over dit mooie initiatief”.

Dress for Success Nederland

De 12 winkels van de Vereniging Dress for Success Nederland bieden mensen die rond moeten komen van een bijstandsuitkering of minimuminkomen en niet de financiële middelen hebben om representatieve kleding aan te schaffen voor een sollicitatiegesprek de mogelijkheid om gratis een representatieve outfit uit te kiezen bij één van de winkels van Dress for Success  Nederland. (1)  Goede representatieve kleding vergroot het zelfvertrouwen van veel werkzoekenden. Zo maken zij meer kans op “een goede eerste indruk”  bij een sollicitatiegesprek, zodat de baan niet naar een andere sollicitant gaat. Als zij worden aangenomen voor een stageplek of (betaalde) baan kunnen zij terugkomen voor een gratis tweede set kleding.

Het concept is ontstaan in de Verenigde Staten waar Nancy Liblin in 1996 met $ 5000 een winkel startte voor  alleenstaande werkzoekende moeders.  Inmiddels heeft de stichting in de Verenigde Staten (Dress for Success WorldWide) 110 winkels verspreid over 12 landen. (2)  In Nederland is Dress for Success in 2001 gestart in een buurthuis in Rotterdam en is inmiddels uitgegroeid naar 12 winkels verspreid over verschillende steden van Nederland. Het verschil met het concept in de Verenigde Staten is dat de winkels in Nederland zich niet alleen richten op vrouwen maar ook op mannen.

Met een bewijs van een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek, een verwijsbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het UWV of een reïntegratiebedrijf, kunnen werkzoekenden bellen voor een afspraak om langs te komen bij één van de winkels van Dress for Success.

Vrijwilligers

De winkels worden gerund door vrijwilligers (veelal zelf afkomstig uit de doelgroep met een lange afstand tot de arbeidsmarkt) en een (betaalde)  coördinator. De vrijwilligers besteden veel tijd en aandacht aan het op het gemak stellen en het kleden van de klant. Soms twee uur met aansluitend een lunch. De kleding van de winkels is veelal afkomstig van restpartijen van kledingzaken en  van particulieren. (3)  De klanten krijgen naast gratis kleding ook gratis advies over kleur- en kledingstijl en worden daarbij ook passend opgemaakt. Zo gaan zij met een goed gevoel en meer zelfvertrouwen naar een sollicitatiegesprek.

Concept zeer succesvol

Het concept van Dress for Success Nederland is dan ook zeer succesvol. Van de klanten die een bezoek brengen aan de Dress for Success winkels stroomt 50% binnen een half jaar uit naar een (betaalde) baan. (4)

Klanten Dress for Success winkels

Niet alleen langdurig werklozen, laagopgeleiden en alleenstaande moeders met een bijstandsuitkering maken gebruik van de kleding in de Dress for Success winkels, maar ook scholieren, studenten  en steeds meer academici  kloppen aan bij de Dress for Success winkels als zij niet over de financiële middelen beschikken om een representatieve outfit te kopen voor een stage- of sollicitatiegesprek. De verwachting is dat door de aanhoudende economische crisis het aantal klanten dat een bezoek zal brengen aan de Dress for Success winkels alleen maar zal gaan toenemen en daarmee ook het percentage hoger opgeleiden dat gebruik zal gaan maken van de dienstverlening van Dress for Success. (5)

Schaamte

Veel klanten moeten eerst hun schaamte overwinnen voordat ze de telefoon pakken om een afspraak te maken bij een Dress for Success winkel. Hebben ze eenmaal een afspraak gemaakt en zijn ze  de winkel binnengestapt, dan verdwijnt de schaamte vrijwel meteen door de warme ontvangst van de vrijwilligers in de winkels. Een vraag die bij veel potentiële klanten dan ook leeft en tijdens het symposium  ”Een eerste indruk…”  in Rotterdam is gesteld aan onder andere een universitair geschoolde klant van een Dress for Success winkel: ” U heeft een academische titel. Schaamde u zich niet toen u  de winkel binnenstapte? Er hangt toch voor een groot gedeelte tweedehands kleding in de winkel?”  De klant antwoordde hierop: “Nee, hoor. Ik ben de schaamte voorbij. Op dit moment heb ik niet de financiën om goede representatieve kleding te kopen voor een sollicitatiegesprek. En Dress for Success biedt mij de mogelijkheid om goede kleding uit te kiezen. Ik ben daarbij goed geholpen door de vrijwilligers in de winkel. Als ik word aangenomen voor een baan, dan zal ik zeker terugkomen voor  een gratis tweede set kleding”.(6)

Informatie over de Vereniging Dress for Success Nederland en de 12 winkels kunt u vinden op de website: www.dressforsuccess.nl

 Noten:

(1) De 12 Dress for Success winkels zijn gevestigd in: Rotterdam, Amsterdam, Spijkenisse,  Utrecht, Gorinchem,  Leiden, Eindhoven,  Apeldoorn, Leeuwarden, Almere, Den Bosch en Tilburg.

 (2) Dress for Success WorldWide heeft vestigingen in onder andere de volgende landen: Verenigde Staten, Canada, Engeland, Ierland, Polen, Hawai, Nieuw Zeeland, Australië en Mexico.

 (3) Kleding met scheuren en gaten wordt niet aangenomen. De kleding wordt door de vrijwilligers netjes gewassen en gestreken en ziet eruit  als nieuw.

 (4) Dit blijkt uit de resultaten van het onderzoek van Anne Franssen “Klanten-onderzoek,  Rotterdam 2010″ naar de impact van het bezoek van klanten aan de winkel in Rotterdam over 2009 en 2010. En uit de nabel rondes die de vrijwilligers van de winkels uitvoeren  onder hun klanten om te inventariseren of klanten die een bezoek hebben gebracht aan de winkel uitstromen naar een (betaalde) baan.

 (5) Denk onder andere  aan de vele ZZP’ers die door de crisis hun opdrachten  hebben zien afnemen, ingeteerd hebben op hun reserves en nu noodgedwongen aankloppen bij de voedselbank.

 (6) Symposium “Een eerste indruk…”, 15 september 2011 in Rotterdam.  Tijdens dit symposium werden onder andere de resultaten gepresenteerd van een klantenonderzoek onder 113 bezoekers  van de winkel in Rotterdam over de periode 2009 en 2010.

Advertenties

april 29, 2010

(Potentiële) dader ook slachtoffer van eerwraak!

Inleiding

In navolging op mijn eerdere column over het inzetten van sleutelfiguren bij het voorkomen van eerwraak en eergerelateerd geweld volgt hieronder een column over een niet onbelangrijke doelgroep bij de aanpak van eerwraak en eergerelateerd geweld, namelijk de (potentiële) daders.

Tot nu toe in de discussies  in de media over eerwraak en eergerelateerd geweld wordt met name aandacht besteed aan de slachtoffers. Daarbij vergeet men een zeer belangrijke doelgroep bij de aanpak van eerwraak en eergerelateerd geweld, namelijk: de (potentiële) daders. Ook zij zijn slachtoffers van dit fenomeen.

(Potentiële) daders kiezen er in de meeste gevallen niet vrijwillig voor om eerwraak uit te voeren. Meestal zijn zij  -bij eerschending van de familie-  aangewezen door hun eigen vader of oom om de eer van de familie te wreken onder grote sociale druk en roddel van de familie en zijn omgeving.

Een potentiële dader wordt, als hij eenmaal is aangewezen door de familie om de eer te wreken door moord, overstelpt door allerlei emoties van angst, twijfels, schaamte en onmacht. Liever wil hij niet de eer wreken maar  omdat de eer van hemzelf of zijn familie is geschonden en door de druk van zijn omgeving voelt hij zich gedwongen tot deze daad.

Project “Geen eer aan te behalen”

Het project “Geen eer aan te behalen, hulp vragen is geen gezichtsverlies” van Zebra Welzijn in Den Haag richt zich op potentiële daders, hun omgeving en professionele  hulpverleningsinstanties.  Het project biedt  laagdrempelige hulpverlening aan potentiële daders. Potentiële daders kloppen zelf aan voor hulp bij Zebra Welzijn of worden doorverwezen door andere hulpverleningsinstanties. Door de potentiële dader te horen in al zijn emoties en twijfels en hierin mee te gaan en hem daarover vragen te stellen, probeert Zebra Welzijn hem op andere (gedrags)alternatieven te wijzen zodat eerwraak niet hoeft plaats te vinden.   Zebra  Welzijn helpt en ondersteunt de mannen bij het verwerken van de situatie, waarbij de nadruk ligt op het behoud van de eer zonder gebruik te maken van geweld.  Als de potentiële dader eenmaal overtuigd is dat eerwraak niet de oplossing is, dan wordt zijn familie en omgeving  hierop voorzichtig voorbereid.  Afhankelijk van de situatie kan dit soms betekenen dat de potentiële dader moet verhuizen omdat zijn omgeving het hiermee niet eens is. In andere gevallen kan met medewerking van de politie, Zebra Welzijn en andere hulpverleningsinstanties ervoor worden gezorgd dat de omgeving dit  gaat accepteren en de potentiële dader nog steeds welkom is in de familie.

Ervaringsdeskundigen

In 2002 is Zebra Welzijn al begonnen met aandacht te besteden aan slachtoffers van eerwraak en sinds 2009 is er ook aandacht gekomen voor potentiële daders. Wat Zebra Welzijn opviel bij de aanpak van eerwraak en eergerelateerd geweld,  was dat er geen aandacht was voor potentiële daders.  Het project “Geen eer aan te behalen” is in november 2009 van start gegaan.  De meerwaarde van het project is dat het team maatschappelijk werkers van Zebra Welzijn voor een groot deel uit ervaringsdeskundigen bestaat. Daarnaast is het team divers samengesteld, zodat hulp aan potentiële daders uit verschillende culturen geboden kan worden. Zij weten als  geen ander tegen welke emoties en twijfels de potentiële dader aanloopt als hij eenmaal is aangewezen door zijn familie om de eer te wreken. Eén van de ervaringsdeskundigen is maatschappelijk werker Celal Altuntas. Hij weet uit eigen ervaring  wat het betekent om door zijn eigen familie aangewezen te worden om de moorden op twee van zijn achterneven te wreken. (1)

Verschuiving van eerwraak naar psychische mishandeling

Celal Altuntas constateert dat er een verschuiving is op te merken  in het toepassen van eerwraak. Vaak wordt er niet  meer gekozen voor eerwraak maar eerder voor andere vormen van eergerelateerd geweld, zoals psychische mishandeling. Zo probeert men te voorkomen dat men gestraft wordt en een straf moet uitzitten.  Immers psychische mishandeling is moeilijker aantoonbaar.

Voorlichting met dvd  “Eerloos geweld”

Zebra Welzijn heeft ook een dvd uitgebracht “Eerloos geweld” waarin te zien is tegen welke twijfels  potentiële daders bij het uitvoeren van eerwraak aanlopen. (2) Met deze dvd wil Zebra Welzijn voorlichting geven in moskeeën,  in koffiehuizen, bij migrantenzelforganisaties en op scholen. Door voorlichting te geven hoopt Zebra Welzijn de discussie op gang te brengen over eerwraak en eergerelateerd geweld en een mentaliteitsverandering teweeg te brengen.

Jongeren

Zebra Welzijn wil al op scholen beginnen met voorlichting. Zo gaan ze in gesprek met leerlingen over de volgende vragen: wat betekent “eer” voor je?, hoe ga je om met je eigen eer en die van je familie? Wat doe je als jou wordt gevraagd de familie-eer te redden? Op die manier hoopt Zebra Welzijn jongeren op andere gedachten te brengen en een mentaliteitsverandering teweeg te brengen. Voorlichting op scholen is heel erg belangrijk omdat het in veel gevallen van eerwraak om minderjarigen gaat.

Meer informatie over het project is op te vragen bij maatschappelijk werker:

Celal  Altuntas, telefoonnummer: 070-4248000, e-mail:  c.altuntas@zebrawelzijn.nl

Noten:

(1) Van Celal Altuntas is een boek verschenen “Het dorp van de zeven broers” waarin hij onder de pseudoniem  Reber Havin,  zijn
veelbewogen jeugd beschrijft in een klein dorpje in Zuid-Oost Turkije. In het boek vertelt hij onder andere ook over twee situaties
waarin bloedwraak en eerwraak is voorgekomen.
(2) De dvd "Eerloos geweld" is te bestellen bij Welzijn Zebra, telefoonnummer: 070-4248000.

april 15, 2010

Voorkom eerwraak en eergerelateerd geweld door inzet van sleutelfiguren uit de gemeenschap!

Inleiding

Naïma Azough stelt in haar column op de website van Hallo Kezban  terecht de vraag waar de gemeenschap is gebleven bij het voorkomen van eerwraak. (1) Tot nu toe in de discussies over eerwraak is inderdaad het accent volledig komen te liggen op de falende instanties, de school, de hulpverleners en op nazorg voor slachtoffers van eergerelateerd geweld, zoals het beschermings-arrangement van de gemeente Rotterdam gericht op het versterken van de veerkracht en zelfredzaamheid van de slachtoffers. (2)

Bij al deze interventies wordt de basis van het probleem echter niet aangepakt. Alhoewel deze organisaties van goede wil zijn, ontbreekt het bij veel van deze organisaties aan de nodige knowhow over de informele codes en mechanismen, die bij eergerelateerd geweld en het uitvoeren van eerwraak in werking treden.

Hieronder zal ik een korte samenvatting geven van hoe deze informele codes en mechanismen bij eergerelateerd geweld en eerwraak werken. Tevens zal ik aangeven hoe het mechanisme, dat in werking treedt bij schending van de eer van een man, zijn gezin of familie, kan worden doorbroken. Tot slot zal ik project “Van huis uit” van de unit MCI (Multiculturele Instelling) van Stichting Mooi in Den Haag toelichten. Met dit project wordt juist geprobeerd in een zo’n vroeg mogelijk stadium, waarbij de eerschending nog niet publiekelijk bekend is, in te grijpen door het inzetten van sleutelfiguren als gemeenschapsbemiddelaars.

Informele codes en mechanismen

Binnen verschillende culturen is eergerelateerd geweld een belangrijk probleem. (3) Het omvat elke vorm van geestelijk of lichamelijk geweld (bijvoorbeeld mishandeling, uitstoting en gedwongen huwelijk) gepleegd vanuit een collectieve mentaliteit in reactie op een (dreiging van) schending van de eer van een man of een vrouw en daarmee van zijn of haar familie waarvan de buitenwereld op de hoogte of dreigt te raken. De meest extreme variant van eergerelateerd geweld is eerwraak, dat kan worden samengevat als moord na gezichtsverlies.

Eergerelateerd geweld heeft veel overeenkomsten met huiselijk geweld: het praten erover gaat met veel schaamte gepaard, het vindt altijd plaats tussen personen die een relatie met elkaar onderhouden en zowel mannen als vrouwen kunnen er slachtoffer van worden. Wat eergere-lateerd geweld echter onderscheidt van andere vormen van relationeel geweld zijn de familie-eer, de collectieve mentaliteit en publieke bekendheid (schaamte).

Eergerelateerd geweld houdt verband met vastomlijnde culturele codes die betrekking hebben op het gedrag van de man en de vrouw. Simsek (2002) zegt hierover: “Het verschijnsel om de eer van de man te koppelen aan de kuisheid van de vrouw is afkomstig uit traditionele samenlevingen met een sterke hiërarchie. In tegenstelling tot wat vaak wordt gesuggereerd, is eerwraak niet per definitie een onderdeel van de Turkse cultuur of van de islam.  De koran verbiedt alle vormen van geweld en keurt deze ten strengste af. Meer dan met geloof, heeft eergerelateerd geweld te maken met strak omlijnde rolpatronen voor mannen en vrouwen en met een machocultuur.

Om eergerelateerd geweld te kunnen begrijpen zijn twee begrippen zeer belangrijk, namelijk: Namus en Seref. Namus in het Turks betekent letterlijk “de kuisheid van de vrouw”.  Seref is Turks voor: “Het aanzien van de man in de gemeenschap”. (5) Namus en seref zijn nauw met elkaar verbonden. Mannen met weinig seref, kunnen aanzien verwerven door de namus (kuisheid) van hun vrouw. Omgekeerd leidt de aantasting van de kuisheid van de vrouw tot schaamte, waardoor de seref van de man daalt. Vooral mannen met weinig seref zijn vatbaar voor deze emoties. Wil de man aanzien behouden in de gemeenschap, dan is het dus van belang om de namus van zijn vrouw en dochters te beschermen. Hij dient ervoor te zorgen dat zij geen ongeoorloofd contact hebben met mannen. Maar wat is “ongeoorloofd”? Ongeoorloofd houdt ook hier weer in: onfatsoenlijk in de ogen van de gemeenschap. De gemeenschap bepaalt wat onfatsoenlijk is.

Dit kan zijn: (het vermoeden van) een buitenechtelijke realtie of ongeoorloofde zwangerschap, het verzet tegen een gearrangeerd huwelijk, roddel over de (kleding of beroep) van de vrouw, echtscheiding of de beëindiging van een relatie. Een andere belangrijke aanleiding kan het (vermeende) verlies van maagdelijkheid zijn. Wanneer de namus van de vrouw is aangetast, betreft de schande niet alleen het hebben van een onfatsoenlijke vrouw, maar ook het falen in de mannelijkheid. De man is er immers niet in geslaagd de namus van zijn vrouw of dochter te beschermen. Met name dit laatste aspect zorgt ervoor dat zijn eer als man ook wordt aangetast.

Door het verbinden van het gedrag van vrouwen met de eer van de familie of zelfs van de gemeenschap wordt er een relatie gelegd tussen individuele daden en de collectieve eer. Wanneer een individu de grenzen van de tradities overschrijdt, wordt dus niet alleen de namus van die persoon, van zijn of haar familile, maar van de hele gemeenschap bezoedeld.

Wil een man of het gezin dus voorkomen dat hij zelf het slachtoffer wordt van publieke spot, dan rest hem weinig anders dan zijn eer, en daarmee de eer van de gemeenschap, te herstellen. Er zijn verschillende manieren waarop de eer hersteld kan worden, variërend van wegsturen van een dochter naar het land van herkomst tot een bemiddelingstraject door een familielid. Het elimineren van de bron van schaamte (eerwraak) is hiervan de meest extreme.

De mate waarin de ontering openbaar is geworden, speelt een belangrijke rol bij het bepalen van de sanctie. Hoe meer mensen op de hoogte zijn van het eerverlies, hoe groter de kans op eergerelateerd geweld. Wanneer het eerverlies nog niet algemeen bekend is, is er ook meer mogelijk op het gebied van “stille diplomatie”. In de meeste gevallen bepaalt het hoofd van het gezin de sancties. Meestal voert hij ze ook zelf uit, eventueel in samenwerking met anderen.

Het inzetten van sleutelfiguren als gemeenschapsbemiddelaars

Juist op het moment dat de ontering nog niet publiekelijk bekend is geworden, zijn er mogelijkheden om van buitenaf in te grijpen en verdere escalatie te voorkomen. Dit kan door het inzetten van sleutelfiguren uit de gemeenschappen als bemiddelaar bij probleemsituaties. Een bemiddelaar kan vanuit de gemeenschap alleen een rol spelen als hij of zij een bepaald gezag heeft en daardoor invloed kan uitoefenen op de ontstane situatie. Het gezag kan gebaseerd zijn op een bepaalde deskundigheid of op een bepaalde functie die men heeft. Leden van de gemeenschap die maatschappelijk wat bereikt hebben, succesvol zijn, religieuze leiders of ouderen hebben vaak gezag in de gemeenschap.

Project “Van huis uit”
Het project “ Van huis uit”, preventieve bemiddeling voor geïsoleerde gemeenschappen van Stichting Mooi in Den Haag, probeert juist door de inzet van sleutelfiguren uit de gemeenschappen als gemeenschapsbemiddelaars op tijd in te grijpen en verdere escalatie te voorkomen door te bemiddelen bij conflicten rondom eergerelateerd geweld en eerwraak.

Het project is in 2006 van start gegaan met het opleiden van 30 sleutelfiguren uit de Turkse, Koerdische, Marokkaanse en Surinaams/Hindostaanse gemeenschap tot gemeenschaps-bemiddelaars. Uiteindelijk hebben 21 sleutelfiguren de opleiding succesvol afgerond en zijn zij ingezet als gemeenschapsbemiddelaars voor hun achterban. Sinds 2009 richt het project zich ook op Irakese, Iranese, Afghaanse en Pakistaanse gemeenschappen en zijn 24 sleutelfiguren uit deze doelgroepen opgeleid tot gemeenschapsbemiddelaars. De sleutelfiguren zijn geselecteerd vanwege hun gezag en het vertrouwen dat zij genieten binnen de gemeenschap. Het blijkt dat ingewijden met kennis over de gevoeligheden die zich in hun gemeenschap voordoen de juiste codes weten te hanteren, een sleutelrol vervullen en daardoor veel kunnen bereiken. Door deze sleutelfiguren tot gemeenschapsbemiddelaars op te leiden kunnen de taboes over eergerelateerd geweld en eerwraak worden doorbroken.

Preventie en bemiddeling
De belangrijkste doelstelling van het project is het in een vroeg stadium signaleren van probleemsituaties zodat escalaties voorkomen worden. De gemeenschapsbemiddelaars kunnen door hun positie in de gemeenschap en hun contacten met families in staat zijn preventief op te treden in problematische situaties. Het gaat erom door te dringen tot de kern van de zaak op een moment dat het probleem nog beheersbaar en bespreekbaar is. Dit doen zij onder andere door op huisbezoek te gaan en (van huis uit) een dialoog tussen de verschillende betrokken partijen aan te gaan en de negatieve spiraal te doorbreken door (gedrags)alterna-tieven aan te reiken, zodat eergerelateerd geweld of eerwraak kan worden voorkomen.

Voorlichtings- en huiskamerbijeenkomsten
Daarnaast organiseren zij voorlichtingsbijeenkomsten bij onder andere migranten zelforganisaties voor hun achterban om de dialoog rondom eergerelateerd geweld en eerwraak op gang te brengen. Zij hopen hiermee een mentaliteitsverandering bij de achterban teweeg te brengen ten aanzien van eergerelateerd geweld en eerwraak.

Naast voorlichtingsbijeenkomsten worden er huiskamerbijeenkomsten gehouden op plekken waar vrouwen bij elkaar komen. Zo sluit men zo veel mogelijk aan bij de maandelijks gehouden Gün voor vrouwen (in het Turks betekent dit: de spaardag voor vrouwen) waarbij geld ingezameld wordt voor één vrouw. Juist tijdens deze bijeenkomsten kunnen de signalen vroegtijdig worden opgevangen bij een dreigend conflict over eergerelateerd geweld of eerwraak en kunnen de slachtoffers worden doorverwezen naar reguliere instellingen.

Spreekuren
Door het houden van (telefonische) spreekuren op het kantoor van Stichting Mooi, bij diverse zelforganisaties en de moskee proberen de gemeenschapsbemiddelaars de informele contacten met de doelgroep te stimuleren en een vertrouwensband op te bouwen. Doel van het spreekuur is laagdrempelige hulpverlening te bieden, vragen te beantwoorden en indien nodig cliënten door te verwijzen.

Samenwerking

Stichitng Mooi neemt deel aan de kerngroep “Eergerelateerd Geweld”, waarin onder andere ook de GGD Den Haag, de Politie Haaglanden, het Maatschappelijk Werk, Jeugdzorg en het Steunpunt Huiselijk Geweld vertegenwoordigd zijn. De kerngroep heeft een aantal afspraken gemaakt waarbij richtlijnen zijn aangegeven hoe snel en adequaat te handelen indien er sprake is van eergerelateerd geweld en eerwraak, zonder dat daarbij gevoelige informatie van de gemeenschap direct openbaar wordt gemaakt. Binnenkort zal de kerngroep met een protocol hierover komen.

Enkele kanttekeningen
Opgemerkt dient te worden dat er altijd migranten zelforganisaties en individuen zijn, die van mening zijn dat er geen sprake is van eerwraak binnen de maatschappij. Deze organisaties zien het project als een inbreuk op hun cultuur en tradities.
Daarnaast speelt de aansprakelijkheid een rol. Wie is er aansprakelijk als mede door ingrijpen van migranten zelforganisaties zaken uit de hand lopen en gevoelige informatie uit de gemeenschap openbaar wordt gemaakt? Goede afspraken over verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid met de ketenpartners zijn noodzakelijk. Stichting Mooi heeft deze zaken voor zijn vrijwilligers en vrijwilligersorganisaties goed geregeld.
Ook blijkt er te veel versnippering en dominantie van enkele partijen rondom de aanpak van eergerelateerd geweld en eerwraak te zijn. Als we dit probleem daadwerkelijk willen aanpakken, dan is het noodzakelijk dat de verschillende partijen bij de aanpak van eergerelateerd geweld en eerwraak de handen ineenslaan.
Daarnaast is het winnen van vertrouwen en het bespreekbaar maken van gevoelige zaken als eergerelateerd geweld en eerwraak onder de gemeenschappen een kwestie van lange adem en doorzettingsvermogen.

 Kartiniprijs 2010

In 2008 heeft het ministerie van OCW het project als succesvol beschouwd en in maart van dit jaar heeft het project “Van huis uit” de Haagse Kartiniprijs 2010 gewonnen.

Meer informatie over het project “Van huis uit”  is op te vragen bij:

De projectleider, de heer Garip Özcan van Stichting Mooi. Telefoonnr.: 070-3616847 of 06-23739300 en e-mailadres: g.ozcan@stichtingmooi.nl

Een verkorte versie van het  artikel is terug te vinden als column “Betrek sleutelfiguren!” en “Pak eerwraak bij de wortel aan!” op de website van Hallo Kezban, Wereldjournalisten, Mira Media en Maroc.nl.

Noten:

(1) In de publicatie "Eerwraak of eergerelateerd geweld? Naar een werkdefinitie". Dr. H.B. Ferwerda en drs. I. van Leiden, Advies-
Onderzoeksgroep Beke, i.o.v. WODC, Ministerie van Justitie, 2005 wordt onder eerwraak verstaan het doden van meestal een meisje of
vrouw vanwege (dreiging van) schending van de seksuele eer. Eerwraak is daarmee feitelijk synoniem aan eermoord waardoor er onvol-
doende aandacht is voor andere vormen van eergerelateerd geweld (zoals uitstoting, verminking, mishandeling en gedwongen uithuwelijking).
Deze uitingsvormen zijn niet alleen op zichzelf al ernstig, maar kunnen bovendien opmaat zijn voor ernstigere vormen van geweld waaronder
moord in het uiterste geval. Het bredere begrip eergerelateerd geweld biedt daarmee mogelijkheden tot (vroegtijdige) signalering en
preventie.
(2) Katinka, D. en Marjan Wijers, "Eergeweld voorbij, een nieuwe gemeentelijke aanpak van eergerelateerd geweld", januari 2010.
Het beschermingsarrangement wordt geboden aan slachtoffers van eergerelateerd geweld, gericht op het versterken van de veerkracht en
zelfredzaamheid van slachtoffers. De praktijk leert echter dat er niet altijd oplossingen te vinden zijn. De instrumenten zijn vaak
beperkt. Als het directe gevaar geweken is, ontbreekt bijvoorbeeld regelmatig de interventiebevoegdheid van de gemeente. Een aanbe-
veling uit het rapport is dan ook dat gemeenten inzetten op een helder preventiebeleid, zoals deskundigheidsbevordering bij profes-
sionals, ook op het vlak van interculturalisatie. Daarnaast moeten gemeenten inzetten op het ontwikkelen van gedragsalternatieven voor
betrokkenen van eergerelateerd geweld.
(3) Eerculturen zijn te vinden in landen van het Midden-Oosten (Egypte, het hele Saoedisch Arabisch schiereiland, Turkije, Iran,
Irak, Afghanistan en Pakistan) en van Noord-Afrika (Marokko, Algerije, Tunesië en Libië). Daarbij zijn er wel verschillen tussen
de landen, vooral in de manier waarop eerherstel plaatsvindt.
(4) Simsek, J., "Alle ogen op haar gericht. Traditioneel geweld tegen Turkse vrouwen en meisjes. Een handleiding voor hulpverleners",
2002, blz. 37.
(5) Gemakshalve heb ik de Turkse benaming gebruikt voor het begrip eer en aanzien van de vrouw en man. In andere culturen waar eergere-
lateerd geweld en eerwraak voorkomt, gelden weer andere benamingen.

februari 12, 2010

Iedereen doet mee. Discriminatie nee!

Maatschappelijke stages tegen vooroordelen en (homo)discriminatie op scholen en in deelgemeenten.

Een interessante pilot in 2009 op de G.K. van Hogendorpschool in Delfshaven

In 2009 hebben 19 jongeren in Delfshaven meegedaan aan een project “Jongeren-ambassadeurs discriminatievrije Deelgemeente Delfshaven, maatschappelijke stages als middel om vooroordelen en discriminatie tegen te gaan”, waarbij ze heel veel geleerd hebben. In het kader van hun maatschappelijke stagen kregen ze trainingen over samenwerken, de invloed van je eigen gedrag op hoe anderen op jou reageren, en hoe vooroordelen en discriminatie werken.

Ze zijn op bezoek gegaan bij diverse organisaties in de wijk: migrantenzelforganisaties, politie, woningbouwvereniging en RTV-Rijnmond. Ze leren hoe ze zelf wat kunnen doen om discriminatie te verhelpen. Ook belangrijk: ze leren dat discriminatie niet alleen iets is wat “witten” “zwarten” aan kunnen doen, maar waar iedereen last van kan krijgen en waar iedereen zich schuldig aan kan maken.

Daarna organiseren ze zelf  activiteiten met hun familie, vrienden en medeleerlingen waardoor ze de geleerde lessen met meer mensen in hun omgeving delen. Zo gaan ze op weg naar een discriminatievrije deelgemeente.

RADAR werkte voor dit project samen met jongerenorganisatie Stichting Eenheid is Kracht, Disck en de G.K. van Hogendorpschool. De dienst Jeugd, Onderwijs en Samenleving van de gemeente Rotterdam en de deelgemeente Delfshaven financierden het project.

Er is een dvd gemaakt van deze pilot, die een goed beeld geeft van wat het project behelst en wat het teweeg brengt bij jongeren: “Iedereen doet mee. Discriminatie NEE!” (1)

 Ruimte voor meer scholen in 2010

In 2010 kunnen meer scholen meedoen aan het project. In 2009 ben ik als projectleider gevraagd om de voorbereidingen te treffen en draagvlak te creëren bij drie andere scholen en deelgemeenten om in 2010 mee te doen aan het project. Met de geleerde lessen uit 2009 is een aangepast project vormgegeven. Het project is een mooie voorbereiding op, of invulling van de maatschappelijke stages, die leerlingen vanaf het jaar 2011 verplicht zijn te doen. (2)

Voor scholen is het een gelegenheid om heikele kwesties, zoals (homo)discriminatie en vooroordelen binnen de school bespreekbaar te maken. Daarnaast om op diepgaande wijze te laten zien voor welke omgangsvormen de school staat als het om (homo)discriminatie en vooroordelen gaat.

In 2010 gaan leerlingen van de Openbare scholengemeenschap Nieuw Zuid in Feijenoord, de MAVO van de GK van Hogendorpschool in Delfshaven en twee scholen (3) in de deelgemeente Hoogvliet meedoen aan het project. In drie dagdelen krijgen de leerlingen een empowermenttraining (4) over vooroordelen en discriminatie waarna ze vervolgens een aantal organisaties (bijvoorbeeld: de politie, het COC of een zelforganisatie) in hun deelgemeente gaan bezoeken om in gesprek te gaan over het onderwerp “vooroordelen en discriminatie”. Daarna is het de bedoeling dat het project ingebed wordt binnen de school en dat docenten en leerlingen activiteiten (5) gaan organiseren over het thema. Afhankelijk van de netwerken van de leerlingen kunnen ze  aan de slag gaan met andere leerlingen op hun school of met anderen in hun wijk en omgeving. Zo gaan ze op weg naar een discriminatievrije school en deelgemeente.

Meer informatie over het project is op te vragen bij:

– mevrouw Stella Maravelias, e-mailadres: s.b.maravelias@tele2.nl

– de heer Tikho Ong, e-mailadres: th.ong@radar.nl, tel.nr.: 010-4113911.

Noten: 

(1) De dvd is te bestellen bij RADAR, tel.nr.: 010-4113911.
(2) Praktijkonderwijs- en VMBO leerlingen zijn verplicht 48 uur maatschappelijke stage te
volgen, HAVO leerlingen 60 uur en VWO leerlingen 72 uur.
(3) Nog nader te bepalen.
(4) Empowerment is een proces waarbij jongeren sterker gemaakt worden binnen hun eigen
sociale context, zodat zij minder overgeleverd zijn aan externe krachten. Empowerment
vergroot het (zelf)vertrouwen van de jongeren en geeft ze meer kracht om in moeilijke
omstandigheden hun eigen levensdoeleinden voor ogen te krijgen en zich niet te laten
leiden door negatieve invloeden, zoals: discriminatie, vooroordelen en geweld.
(5) De activiteiten sluiten zo veel mogelijk aan bij bestaande projecten binnen de school,
 zoals: de leerlingenraad, leerlingbemiddelingsprojecten, anti-pestprogramma’s enz.

september 25, 2009

Taboes bespreken onder allochtone doelgroepen

Inleiding

Het taboe op praten over huiselijk en seksueel geweld en homoseksualiteit is onder allochtonen groter dan onder de meeste autochtonen. Er is vaak geen traditie van open en eerlijk met elkaar praten over problemen.  Ouders en jongeren lijden onder de rollen en gedragingen die er door het complex van eer en schande van ze verwacht worden.  Mensen willen de problemen graag oplossen, maar durven en kunnen dit vaak niet. Met name vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn van geweld en jongeren, die worstelen met hun homoseksuele gevoelens durven vaak niet over hun ervaringen te spreken. Uit angst de familie-eer te schaden, dragen zij hun geheimen in eenzaamheid en lijden in stilte, met alle gevolgen van dien.

Begin 2003 presenteerde het Ministerie van Justitie een onderzoek van Intomart naar huiselijk geweld onder Surinamers, Antillianen en Arubanen, Marokkanen en Turken in Nederland. Het onderzoeksverslag bevestigde dat het taboe op praten over huiselijk geweld bij deze groepen relatief groot is. Forum besloot daarom een project te starten om huiselijk geweld bespreekbaar te maken in allochtone kring. Zo kwam de methodiek “Taboes bespreken” tot stand. De organisatie heeft de methodiek overgedragen aan andere organisaties, waaronder  het toenmalige Multicultureel Instituut Utrecht (MIU) en later Alleato. Deze methodiek is ook toepasbaar op het bespreekbaar maken van het onderwerp homoseksualiteit. In een andere blog “homoseksualiteit bespreekbaar maken onder doelgroepen met een moslimachtergrond en onder jongeren op scholen”ga ik hier uitgebreid op in.

In dit artikel zal ik me beperken tot het bespreekbaar maken van de onderwerpen: huiselijk en seksueel geweld onder Turkse, Marokkaanse en Hindostaanse doelgroepen. Ik zal toelichten hoe in de periode van 2005 tot en met 2007 deze methodiek is toegepast bij Turkse, Marokkaanse en Hindostaanse doelgroepen in de provincie Utrecht.

Taboes bespreken

Bij het MIU en later Alleato heb ik onder andere een project “Taboes bespreken” opgezet, uitgevoerd en gecoördineerd gericht op het bespreekbaar maken van huiselijk en seksueel geweld onder Turkse, Marokkaanse en Hindostaanse doelgroepen.

Voor dit project heb ik 15 sleutelfiguren uit de Turkse, Marokkaanse en Hindostaanse gemeenschappen geworven en laten opleiden tot gespreksleiders van taboe bijeenkomsten voor hun achterban (1). De sleutelfiguren zijn opgeleid door een ervaren trainer van Forum. Na de training zijn de gespreksleiders ingezet op taboe bijeenkomsten voor hun achterban. De aanpak was om zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande vrouwen- en mannengroepen, die al bij elkaar kwamen voor thee/koffie ochtenden, Nederlandse taalles, kookcursussen, sporten, opvoedingsondersteuning enzovoorts. Het vertrouwelijk karakter van de bijeenkomsten zou hierdoor bevorderd worden omdat de groep elkaar al kent. Vrouwelijke gespreksleiders zijn ingezet op vrouwengroepen en mannelijke gespreksleiders op mannengroepen. De deelnemers durven meer te vertellen dan in een gemengde groep. In gemengde groepen is men bang voor roddel en sociale controle. De gespreksleiders, die ingezet werden, hadden dezelfde afkomst als hun achterban. Dit om het vertrouwen van de groep te bevorderen en om de deelnemers de mogelijkheid te kunnen bieden om in hun eigen taal over deze gevoelige onderwerpen te kunnen spreken. (2) Vernieuwend aan het project was dat een aantal gespreksleiders opgeleid is tot vertrouwenspersonen voor de doelgroep. Vertrouwenpersonen zijn sleutelfiguren die een hulpverleningsachtergrond hebben en die de vrouwen opvangen, die te maken hebben of hebben gehad met huiselijk geweld. De bedoeling was dat deze deelnemers na afloop van de bijeenkomst door de vertrouwenspersonen apart werden gevraagd om met hen te spreken, zodat zij hun verhaal kwijt konden. In twee gesprekken van een uur werd hun verhaal in kaart gebracht en werd – indien de situatie ernstig was – met instemming van de deelnemer, doorverwezen naar de geëigende instanties. Dit om ervoor te zorgen dat alle deelnemers aan bod konden komen  in de bijeenkomst en dat de bijeenkomst niet werd opgehouden door het verhaal van één deelnemer.  De vertrouwenspersonen zijn opgeleid door het toenmalige Transact (later ondergebracht bij Movisie). De gespreksleiders werden in tweetallen ingezet op de groep. In de meeste gevallen een gespreksleider en een vertrouwenspersoon. De gespreksleider die de bijeenkomst en de discussie leidde en de vertrouwenspersoon die de signalen van vrouwen, die te maken hadden met geweld, opving en de gespreksleider waar nodig aanvulde.

Er is een cyclus van drie bijeenkomsten gegeven, met een tussenpoos van een week. De eerste bijeenkomst was bedoeld om een veilige setting te creëren en er werd uitleg gegeven over de onderwerpen die in de verschillende bijeenkomsten aan de orde  zouden komen. Een veilige setting werd ook gecreëerd door bij aanvang van de bijeenkomst veel tijd te investeren in het gezellig maken door bijvoorbeeld de gelegenheid te geven om eerst een Turkse of Marokkaanse of Hindostaanse maaltijd (afhankelijk van de samenstelling van de groep) te nuttigen of  door Turkse, Marokkaanse of Hindostaanse koekjes mee te nemen. De tweede bijeenkomst ging over het thema huiselijk geweld en de verschillende vormen daarvan. (3) De derde bijeenkomst ging over het thema seksueel geweld.

Werving van groepen

De werving van groepen verliep via vrouwencentra, welzijnsinstellingen, moeder-kindcentra, buurthuizen, moskeeën, zelforganisaties en imams. Om de bijeenkomsten toegankelijk te maken voor sommige vrouwengroepen en zeker ook voor mannengroepen werden andere ingangen gebruikt om het onderwerp huiselijk geweld bespreekbaar te maken. Zo werd niet het onderwerp  “huiselijk geweld” genoemd om te bespreken, maar bijvoorbeeld “het opvoeden van kinderen”.  De gedachte hierachter is dat door het onderwerp “opvoeden van kinderen” te bespreken men vanzelf op het onderwerp “huiselijk en seksueel geweld” komt door bijvoorbeeld het onderwerp “het geven van een tik aan kinderen, is dat normaal?” te bespreken. Door dit onderwerp te bespreken kan geleidelijk overgegaan worden over hoe een man en een vrouw in een relatie met elkaar omgaan en of daar geweld bij komt kijken.

Resultaten

Er zijn in totaal 70 bijeenkomsten voor vrouwengroepen gegeven en 40 voor mannengroepen. Bij aanvang van het project dacht ik dat het bespreekbaar maken van deze onderwerpen heel gevoelig zou liggen en moeizaam zou verlopen onder de Marokkaanse en Turkse gemeenschap en wat minder onder de Hindostaanse gemeenschap. Tot mijn verbazing bleek dat als er een veilige setting gecreëerd werd de Marokkaanse vrouwen, maar ook de Marokkaanse mannen vrij open waren om over deze onderwerpen te spreken. En dat de Turkse gemeenschap wat meer gesloten is dan  de Marokkaanse gemeenschap.  In tegenstelling tot wat ik eerder dacht,  bleek dat  de  Hindostaanse gemeenschap vrij gesloten is om over dit onderwerp te spreken. (4) Het was dan ook lastig om bij de Hindostaanse gemeenschap vrouwen- en mannengroepen bij elkaar te krijgen om over dit onderwerp te praten.  Bij alle groepen ging het in de eerste bijeenkomst vaak over een buurvrouw of een ver familielid, waarbij geweld plaatsvond. In de tweede en derde bijeenkomst voelden de deelnemers zich veiliger en vrijer en hadden het dan vaak ook over hun eigen ervaringen met dit onderwerp.

Noten:

(1) Sleutelfiguren zijn personen uit de gemeenschap die een bepaald aanzien en status hebben verworven door hun verdiensten voor hun achterban. Van hen worden bepaalde zaken eerder aangenomen dan van “witte” personen en instellingen. Sleutelfiguren zijn professionals die in het dagelijks leven een beroep uitoefenen, zoals bijvoorbeeld: maatschappelijk werker of preventiemedewerker in bijvoorbeeld de GGZ en opbouwwerker in de welzijnssector.

(2) Vaak wordt overgegaan in de eigen taal bij het uiten van gevoelens.

(3) Het gaat dan om de volgende vormen van geweld: fysiek, psychisch, seksueel en financieel.

(4) Mede door de geslotenheid van deze gemeenschap komt zelfdoding onder Hindostaanse meisjes heel vaak voor.

september 9, 2009

Homoseksualiteit bespreekbaar maken onder doelgroepen met een moslimachtergrond en onder jongeren op scholen

Inleiding

Het onderwerp homoseksualiteit bespreekbaar maken onder doelgroepen met een moslimachtergrond is niet  eenvoudig. Dit omdat homoseksualiteit binnen moslimgroepen “haram” is (verboden). De meeste moslims zien homoseksualiteit als een ziekte. Ouders die te horen krijgen dat hun zoon of dochter homoseksueel is, hopen dat hij of zij door een hulpverlener snel van deze gevoelens (in hun ogen “ziekte”) genezen worden.

Vijftig jaar geleden was het niet anders in Nederland. Op homoseksualiteit heerste een taboe. Homoseksuele mannen trouwden voor de naam van hun familie en zorgden voor nageslacht en in het geheim hielden zij er homoseksuele relaties op na.

Ook anno 2009 is het in Nederland voor veel homoseksuele leraren nog steeds moeilijk om openlijk uit te komen voor hun geaardheid. Recent nog is een homoseksuele leraar op een christelijke school ontslagen toen hij liet vallen dat hij een relatie had met iemand van hetzelfde geslacht.

Wereldwijd is homoseksualiteit in 75 landen strafbaar. In Tel Aviv zijn recent twee homoseksuelen vermoord in een ontmoetingsorganisatie voor homoseksuelen. Homoseksualiteit is sinds 1988 legaal in Israël, ondanks fel verzet uit religieuze kringen. Volgens woordvoerders van de homoseksuele gemeenschap in Tel Aviv ging het om een homofobe aanslag. Human Right Watch maakte onlangs bekend dat Iraakse milities steeds meer mannen die ze verdenken van homoseksuele activiteiten of ‘niet mannelijk genoeg’ gedrag ontvoeren, martelen en vermoorden. Mogelijk zijn sinds begin dit jaar honderden doden te betreuren, ondanks dat homoseksualiteit  niet verboden is voor de Iraakse wet (1).

In dit artikel zal ik de methodiek beschrijven hoe ik het onderwerp homoseksualiteit bespreekbaar heb gemaakt onder doelgroepen met een moslimachtergrond in Utrecht. Tevens zal ik bespreken tegen welke weerstanden ik aanliep, ook toen ik het onderwerp bespreekbaar wilde maken op scholen. Tot slot zal ik een aantal tips geven waarop u kunt letten als u het onderwerp homoseksualiteit bespreekbaar wilt maken onder doelgroepen met een moslimachtergrond.

Homoseksualiteit bespreekbaar maken onder doelgroepen met een moslimachtergrond

Bij Alleato, Centrum voor Maatschappelijke Ontwikkeling (CMO) in Utrecht, heb ik een drietal projecten opgezet en uitgevoerd, waarin gevoelige onderwerpen,  zoals onder andere homoseksualiteit bespreekbaar werden gemaakt:

1. “Taboes bespreken”  onder Turkse, Marokkaanse en Hindostaanse doelgroepen,

2.“Emancipatie van de Marokkaanse doelgroep”: (homo)emancipatieonderwerpen bespreekbaar maken onder Marokkaanse doelgroepen en

3. “In gesprek over homoseksualiteit met autochtonen en allochtone jongeren”.

In deze drie projecten ging het om het bespreekbaar maken van gevoelige thema’s, zoals: huiselijk en seksueel geweld en homoseksualiteit onder allochtone doelgroepen. De aanpak in deze projecten was om aan te sluiten bij bestaande groepen, die al bij elkaar kwamen voor bijvoorbeeld Nederlandse taalles, opvoedingsondersteuning of voor koffie en thee ochtenden. Het voordeel hiervan is dat de groep elkaar al kent.  De bijeenkomsten werden gegeven door gespreksleiders (sleutelfiguren) van dezelfde afkomsten.

Vrouwelijke gespreksleiders werden ingezet op groepen met vrouwelijke deelnemers en mannelijke gespreksleiders op groepen met mannelijke deelnemers. Dit zou het vertrouwelijke karakter van de bijeenkomsten vergroten en de deelnemers durven dan ook meer te vertellen dan in een gemengde groep. In gemengde groepen is men bang voor sociale controle en roddel. Er werden drie à vier bijeenkomsten gegeven, waarbij de eerste bijeenkomst bedoeld was om een veilige setting te creëren en waarin uitgelegd werd wat de bedoeling was van de bijeenkomsten. In de volgende bijeenkomsten werden de afzonderlijke thema’s besproken, waarbij veel ruimte was voor de verhalen van de deelnemers. De meeste deelnemers herkenden de thema’s en hadden het in eerste instantie vaak over de buren of familieleden waarbij sprake was van huiselijk geweld. Soms kwamen de deelnemers met hun eigen verhaal.In bovengenoemde drie projecten heb ik geprobeerd om ook het onderwerp homoseksualiteit bespreekbaar te maken onder doelgroepen met een moslimachtergrond en op scholen.

Hieronder zal ik beschrijven hoe dit is verlopen en tegen welke weerstanden ik aanliep. Voor de projecten “Taboes bespreken” en “Emancipatie van de Marokkaanse doelgroep” heb ik sleutelfiguren uit de Turkse, Marokkaanse en Hindostaanse gemeenschap opgeleid tot gespreksleider voor de bijeenkomsten met hun achterban. Bij de taboe onderwerpen ging het in eerste instantie om gevoelige onderwerpen, zoals: huiselijk en seksueel geweld bespreekbaar maken.  Omdat het onderwerp homoseksualiteit gevoelig ligt binnen moslimgemeenschappen, heb ik ervoor gekozen om ook dit onderwerp bespreekbaar te maken, zowel bij de taboe bijeenkomsten als bij de emancipatiebijeenkomsten (homo emancipatie). Als start bij  de sleutelfiguren zelf omdat zij dit ook moeten kunnen overbrengen naar hun achterban.

Gekozen is om het onderwerp bespreekbaar te maken door iemand, die zelf homoseksueel is en een moslimachtergrond heeft. Een eerdere poging om het onderwerp bespreekbaar te maken door een iemand met een Nederlandse achtergrond werkte niet. De deelnemers haakten voortijdig af.

Opvallend was dat uiteindelijk, ook bij de trainer met een moslimachtergrond, de mannen het lieten afweten. Op de trainingsbijeenkomst kwamen alleen Turkse en Marokkaanse vrouwelijke sleutelfiguren. Dat de mannelijke sleutelfiguren afhaakten, heeft ermee te maken dat als de gemeenschap erachter zou komen dat zij deelnamen aan deze trainings/voorlichtingsbijeenkomst, zij door hun gemeenschap als homo zouden worden aangezien. Zo gevoelig liggen deze zaken dus, omdat roddel en sociale controle binnen deze gemeenschappen nog steeds een grote rol spelen.

De vrouwelijke deelnemers aan de bijeenkomst waren in het begin heel sceptisch, maar hebben toch de moeite genomen om naar het verhaal van de trainer/voorlichter te luisteren. Ondanks dat zij homoseksualiteit nooit zullen accepteren, konden zij niet om het verhaal van de trainer heen, waarin de trainer op een levendige manier vertelde hoe hij voor het eerst ontdekte dat hij op mannen viel en hoe hij het heeft verenigd met zijn geloof. “Het is iets tussen hem en Allah en daar heeft niemand iets mee te maken”.

Aan het einde van de bijeenkomst zien de sleutelfiguren het als een gegeven dat homoseksualiteit bestaat en dat diegene, die homoseksueel is,  het zelf naar Allah moet verantwoorden. “Wat iemand privé doet, daar mag niemand zich mee bemoeien. Het is iets tussen die persoon en Allah”.

Homoseksualiteit bespreekbaar maken op scholen

Het project “In gesprek over homoseksualiteit met autochtone en allochtone jongeren” is ontstaan nadat uit de Utrechtse Jeugdmonitor (2006)  als onderzoeksresultaat naar voren kwam, dat brugklassers (zowel autochtonen als allochtonen), liever geen vrienden willen hebben, die homoseksueel zijn. Bovendien heerst er op veel scholen een klimaat waarin homoseksualiteit niet geaccepteerd wordt.

In het project “In gesprek over homoseksualiteit met autochtone en allochtone jongeren” heb ik meerdere scholen benaderd om deel te nemen aan een trainingsaanbod, waarin gewerkt wordt aan een beter schoolklimaat ten aanzien van homoseksualiteit. Na dit trainingsaanbod zijn docenten beter in staat om anti-homogedrag onder leerlingen te herkennen en tegen te gaan en is het de bedoeling dat het  bespreekbaar maken van homoseksualiteit ingebed wordt in het reguliere lesprogramma. Wat me opviel in het benaderen van de scholen, was dat christelijke scholen geen behoefte hadden aan een trainingsaanbod waarin het onderwerp homoseksualiteit ingebed kon worden in hun lesprogramma. De christelijke scholen gaven allen sociaal wenselijke antwoorden: dat het onderwerp homoseksualiteit al in hun lespakket verweven zat en dat ze heel ruimdenkend hierover waren omdat zij homoseksuele leerkrachten in dienst hadden. Ondanks dat ik het natuurlijk niet kan bewijzen, voelde ik aan dat het om sociaal wenselijke antwoorden ging. De andere scholen, niet van een bepaald gezindte, toonden meer bereidheid om deel te nemen aan het trainingsaanbod.

 Noten:

1. Volkskrant, 18 augustus 2009.

2. Sleutelfiguren zijn personen uit de gemeenschap die een bepaald aanzien en status hebben verworven
binnen de gemeenschap door hun verdiensten. Van hen worden bepaalde zaken eerder aangenomen dan door
“witte” personen of organisaties. Sleutelfiguren zijn professionals, die in het dagelijks leven een
beroep uitoefenen.

september 7, 2009

Tijdelijk huisverbod doorbreekt tijdelijk de geweldscirkel

Inleiding
Huiselijk geweld is de meest voorkomende geweldsvorm in onze samenleving. Jaarlijks worden meer dan 63.000 aangiften gedaan van geweld in huiselijke kring (1). Het kan gaan om partnergeweld, kindermishandeling, seksueel misbruik, mishandeling of verwaarlozing van ouderen. Huiselijk geweld komt voor in alle sociaal-economische klassen en binnen alle culturen in de Nederlandse samenleving. Slachtoffers van huiselijk geweld zijn in de meeste gevallen vrouwen en kinderen, maar het betreft ook mannen, ouders en ouderen. Uit onderzoek blijkt dat meer dan veertig procent van de Nederlanders ooit in zijn of haar leven te maken heeft gehad met huiselijk geweld. Naar schatting komen er jaarlijks 500.000 huiselijk geweldsincidenten voor. Het verzamelbegrip “huiselijk geweld” staat voor meerdere geweldsvormen (zoals geestelijk, lichamelijk, seksueel en financieel geweld), die in de praktijk om specificatie en een aparte aanpak vragen (2). Eergerelateerd geweld is daarvan een voorbeeld.

In Nederland werden in de jaren zeventig en tachtig voor het eerst blijf-van-mijn-lijfhuizen opgericht, waar vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld tot rust konden komen en een nieuw leven konden opbouwen. Later verschoof de aandacht voor de slachtoffers van huiselijk geweld ook naar de plegers (daderhulpverleningstrajecten) omdat vrouwen vaak weer terugkeerden naar de gewelddadige partner en dus het geweld bleef voortduren. De laatste jaren is men ervan overtuigd dat een systeemgerichte aanpak van huiselijk geweld meer effect heeft bij de bestrijding van het geweld. In een systeemgerichte aanpak wordt het hele gezin (slachtoffer, pleger en betrokken kinderen) betrokken bij de aanpak van huiselijk geweld (3). Uit onderzoek komt namelijk naar voren dat als kinderen getuige zijn van het geweld tussen hun ouders, dit verstrekkende gevolgen voor hen kan hebben. In die zin dat de kans groot is dat zij later als volwassenen zelf slachtoffer worden van geweld en machtsmisbruik in een relatie of zelf pleger worden.

Sinds 2002 staat de aanpak van huiselijk geweld structureel op de agenda van het Rijk en gemeenten. Mede door landelijke publiekscampagnes en inspanningen op lokaal niveau (zoals de vorming van de Advies en Steunpunten Huiselijk Geweld) wordt huiselijk geweld steeds meer uit de privé-sfeer gehaald. Desondanks is de problematiek nog steeds onzichtbaar en zijn er nog weinig representatieve gegevens over slachtoffers (partner en kinderen), plegers en recidives beschikbaar. Ook over de effecten van interventies om huiselijk geweld aan te pakken is nog weinig bekend (4). Mede daarom is de minister van Justitie voornemens om een integrale aanpak van huiselijk geweld te ontwikkelen “Modelaanpak huiselijk geweld” in de vier grote steden: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht (5) .

In dit artikel zullen de meest recente ontwikkelingen met betrekking tot de integrale aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling beschreven worden, waaronder de Rotterdamse meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de voorgenomen invoering van de landelijke meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de landelijke “Wet tijdelijk huisverbod” en het onderzoek naar de preventie van intergenerationele overdracht van huiselijk geweld. Dit artikel zal zich voornamelijk beperken tot huiselijk geweld in de vorm van partnergeweld en kindermishandeling (onder andere in de vorm van getuige zijn van het geweld tussen de ouders). Tevens zal worden toegelicht waarom het tijdelijk huisverbod tijdelijk de geweldscirkel doorbreekt en wat nodig is om huiselijk geweld structureel aan te pakken.

Rotterdamse meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
Sinds eind 2007 is in Rotterdam de Rotterdamse “meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling” van kracht. In deze meldcode wordt omschreven hoe een professional dient te handelen bij een vermoeden van huiselijk geweld en kindermishandeling. De bedoeling is dat de professional bij een vermoeden van geweld het probleem allereerst bespreekt met de cliënt zelf en het probeert op te lossen. Als dat geen resultaat heeft, moet hij of zij er met collega’s over spreken en pas daarna komt het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) of het Advies en Steunpunt Huiselijk Geweld om de hoek kijken. De professional heeft geen meldplicht maar een meldrecht en is niet aansprakelijk voor eventuele gevolgen.
In 2008 is in 11 pilotinstellingen in Rotterdam met de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling gewerkt. Uit de evaluatie, die uitgevoerd is door het Verwey-Jonker Instituut, blijkt dat invoering van de meldcode veel aandacht en goede samenwerking tussen professionals vereist. Ook wordt gesteld dat kindermishandeling en huiselijk geweld integraal aangepakt moeten worden en dat het belangrijk is om professionals en instellingen de ruimte te geven de meldcode op hun eigen manier in te voeren. Daarbij is training en scholing van alle professionals essentieel (6).
De Rotterdamse integrale meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling is een inspirerend voorbeeld geweest voor de landelijke invoering van een meldcode. De Tweede Kamer is voornemens om een voorstel tot een landelijke Wet meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in het najaar van 2009 gereed te hebben ter advisering door de Raad van State. Met deze landelijke wet wil men ervoor zorgdragen dat in alle gemeenten van Nederland vroegtijdig wordt gesignaleerd en gemeld als er sprake is van huiselijk geweld, kindermishandeling, eergerelateerd geweld en genitale verminking.

Landelijke “ Wet tijdelijk huisverbod”
Sinds 1 januari 2009 is landelijk de “Wet tijdelijk huisverbod” van kracht waarin de burgemeester van een gemeente bevoegd is om bij een melding van huiselijk geweld de pleger voor 10 dagen de toegang tot zijn of haar huis te ontzeggen. Gedurende de periode van het huisverbod is ook contact met de achterblijvende partner en kinderen verboden. Het huisverbod werkt dan als een soort afkoelingsperiode. Deze maatregel dient preventief te werken in die gevallen waar het nog niet helemaal uit de hand is gelopen.
De gemeente is daarbij verplicht binnen enkele dagen een hulpverleningstraject in gang te zetten voor zowel de pleger als de achterblijvers. Soms wordt het verbod door de pleger overtreden en neemt de pleger toch weer contact op met het slachtoffer. In die gevallen en in ernstige gevallen van huiselijk geweld, waarin voor het leven van de slachtoffer(s) gevreesd wordt, kan de burgemeester bepalen het huisverbod te verlengen met meer dagen tot een maximum van vier weken. Op overtreding van een verbod staat maximaal twee jaar cel of een taakstraf. In Rotterdam heeft de burgemeester sinds de invoering van deze wet al 209 huisverboden afgegeven (7) .

De Rotterdamse situatie
Anderhalf jaar geleden verklaarde wethouder Jantine Kriens, samen met politie en hulpverleningsinstanties de “oorlog” aan huiselijk geweld. Uit betrouwbaar onderzoek bleek dat er in Rotterdam ongeveer 20.000 slachtoffers van huiselijk geweld zijn. Het gaat dan om partnergeweld, eergerelateerd geweld, ouderenmishandeling, jeugdprostitutie en geweld tegen een ongeboren kind door verslaving. Deze vaak verborgen vorm van geweld werd tot voor kort beschouwd als een privé probleem. Aandacht van politie, justitie en gemeente was vooral gericht op geweld op straat. Echter, onderzoek laat zien dat veel vormen van geweld op straat kunnen voortkomen uit geweld in huiselijke kringen. Om deze reden, maar vooral uit bescherming van de inwoners van Rotterdam, heeft onderzoek naar een optreden tegen huiselijk geweld sinds anderhalf jaar topprioriteit binnen de gemeente Rotterdam. Zeventig Rotterdamse instellingen hebben hun handtekening gezet onder de Rotterdamse Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Tienduizenden professionals – van leerkracht tot docent en van hulpverlener tot huisarts – werken met de meldcode (8). En sinds 1 januari 2009 heeft de wetgever de gemeente een nieuw wapen in handen gegeven om de geweldscirkel te doorbreken: het tijdelijk huisverbod.
Naar schatting sterven in de Rotterdamse regio jaarlijks tien mensen door huiselijk geweld. Rotterdam verwacht in 2009 meer dan 400 huisverboden op te leggen.

Het tijdelijk huisverbod
Het tijdelijk huisverbod is een nieuw “wapen” in de strijd tegen huiselijk geweld. Dankzij deze maatregel stopt het geweld of de dreiging van ernstig geweld in elk geval voor tien dagen.
Voordeel is dat nu niet langer de slachtoffers uit huis worden geplaatst, maar de pleger. Ook het inzetten van een hulpverleningstraject binnen enkele dagen is cruciaal in het doorbreken van de geweldscirkel. Voorheen duurde het soms enige tijd voordat hulpverlening – vaak alleen voor slachtoffers – op gang kwam. Hierdoor traden de zogenaamde “wittebroodsweken” als snel op. De pleger voelt zich schuldig, heef spijt van het aangerichte geweld en belooft beterschap en zegt dat dit echt de laatste keer is. De partner wordt overladen met cadeautjes en er treden een aantal weken op, waarin het weer rustig is (de “wittebroodsweken”). Totdat er weer iets gebeurt en de pleger ontploft. De geweldscirkel begint weer van voren af aan. Juist op dit moment is het slachtoffer het meest ontvankelijk voor hulp. Als door het tijdelijk huisverbod daadwerkelijk snel (binnen 24 uur) een hulpverleningstraject wordt ingezet voor zowel de pleger als de partner en de betrokken kinderen en zij allen hieraan blijvend meewerken -ook na het huisverbod- kan er sprake zijn van doorbreking van de geweldscirkel en kan ergere schade voorkomen worden. Want het slachtoffer wil vaak wel de relatie behouden, maar niet het geweld. Dit is ook vaak de reden waarom zij of hij niet kan breken met de gewelddadige partner. De lokale Teams Huiselijk Geweld in Rotterdam hebben al aangegeven moeite te hebben om de grote hoeveelheid huisverboden voor plegers van huiselijk geweld te verwerken. De situatie is zo nijpend dat het niet altijd lukt om binnen 24 uur de hulpverlening in het gezin op gang te brengen (9) . Alleen de zeer ernstige gevallen worden gelijk aangepakt, de rest moet wachten.
Als de pleger niet wil meewerken aan het hulpverleningstraject (de zogenaamde “no shows”) , of als door capaciteitstekort van de hulpverleningsinstanties (zie Rotterdamse situatie), de hulpverlening niet binnen 24 uur op gang wordt gebracht, doorbreekt het tijdelijk huisverbod tijdelijk de geweldscirkel (10). Zodra het slachtoffer de pleger weer in huis neemt, begint de geweldscirkel weer van voren af aan.
Ook is het noodzakelijk dat de betrokken kinderen een adequaat hulpverleningstraject krijgen aangeboden, omdat (zoals eerder is aangegeven) als kinderen zelf geen slachtoffer van het geweld zijn, zij door getuige te zijn van dit geweld ook slachtoffers zijn met vaak verstrekkende langdurige gevolgen, die soms een leven lang doorwerken.

Onderzoek preventie van intergenerationele overdracht van huiselijk geweld
Sinds kort vindt in de steden Rotterdam, Amsterdam, Den Haag en Utrecht een kwalitatief onderzoek plaats naar de overdracht van huiselijk geweld van generatie op generatie (intergenerationele overdracht). Dit kwalitatieve onderzoek richt zich op de ondersteuning van kinderen en hun opvoeders, in autochtone en allochtone gezinnen, na huiselijk geweld, mede met het oog op de preventie van intergenerationele overdracht van huiselijk geweld. Er is nog weinig aanbod gericht op het versterken van het ouderschap en de opvoedingssituatie bij en na huiselijk geweld. Het ontbreekt aan onderzoek naar de (ondersteunings-)behoeften van kinderen en die van ouders als opvoeders. Bovendien is er nog weinig zicht in interventies die intergenerationele overdracht van huiselijk geweld kunnen voorkomen. Daarbij ontbreekt kennis over hoe in gezinsondersteuning rekening kan worden gehouden met diversiteit. Het onderzoek moet uitwijzen welke hulp aan de gezinnen en de kinderen het beste is.
Het Verwey-Jonker Instituut in Utrecht en de GGD Rotterdam-Rijnmond leiden het project (11). Eind volgend jaar zijn de resultaten bekend. Met de resultaten hopen zij gezinnen beter te kunnen helpen om de geweldscirkel te doorbreken.

Noten:

1) Henk Ferwerda, Met de deur in huis. Omvang, aard, achtergronden en aanpak van huiselijk geweld in 2006, Advies- Onderzoeksgroep Beke, september 2007.
2) Zie voor een definitie van de verschillende vormen van geweld, de website van Movisie, onderdeel huiselijk en seksueel geweld.
3) Via de zogenaamde Kindsporen wordt in diverse regio's getracht huiselijk geweld integraal aan te pakken.
4) Onderzoek hiernaar zal vanaf eind 2009 gestart worden. Zie hierover later meer bij de preventie van de intergenerationele overdracht van huiselijk geweld.
5) Zie Actieprogramma "Naar een grootstedelijke aanpak van huiselijk geweld voor de periode 2008-2012, 2008". Voor kindermishandeling wordt de RAAK-aanpak (Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling) in de vier grote steden ingevoerd. De RAAK-aanpak zal ook worden opgenomen in de landelijke modelaanpak huiselijk geweld. Zie voor gedetailleerde beschrijving van de RAAK-aanpak de website van het Nederlands Jeugdinsituut (NJI).
6) Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nieuwsbrief, 25 maart 2009.
7) Binnenlands Bestuur, 21 augustus 2009, Al meer dan 1000 huisverboden uitgedeeld.
8)Gemeente Rotterdam, bestuursdienst, persbericht 29 januari 2009.
9) Metro, 4 augustus 2009. De werkdruk op de hulpverlening is bij huiselijk geweld verdubbeld. Momenteel is er een miljoen euro beschikbaar, maar volgens wethouder Jantine Kriens zou minimaal hetzelfde bedrag erbij moeten. Hierover wil de minister nog geen toezeggingen doen.
10) Veel plegers komen vaak niet opdagen voor een behandeling of haken voortijdig af bij hulpverleningstrajecten, als dit traject niet door de rechter is opgelegd (de zogenaamde "no shows"). Dit is ook een zwak punt van het Tijdelijk huisverbod: de pleger krijgt alleen een huisverbod opgelegd en wordt niet verplicht om hulpverlening te aanvaarden.
11) Verwey-Jonker Instituut, Preventie van intergenerationele overdracht van huiselijk geweld. Er is behoefte aan een bundeling van wetenschappelijke en praktijkinzichten en ervaringen, die als bouwstenen kunnen dienen voor de door de minister van Justitie voorgenomen ontwikkeling van een modelaanpak huiselijk geweld (zie Actieprogramma "Naar een grootstedelijke aanpak van huiselijk geweld voor de periode 2008-2012, 2008").

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.